Mortelgroepen en mortelsoorten
Of je nu bouwstenen legt of wanden pleistert – mortel is als bouwstof onmisbaar. Er zijn talloze specifieke mortelsoorten. De mortelgroep helpt je de juiste toepassing te vinden.
Inhoudsopgave
Mortel – wat is dat?
Het woord „mortel" stamt uit het Latijn „mortarium" (vijzel/mortelbak) en duidt op een soort bindmiddel. Mortel wordt gebruikt als bouwmortel bij het verbinden van bouwstenen, bij het leggen van tegels of bij het pleisteren van wanden en plafonds. Tegenwoordig wordt mortel doorgaans als werkmortel gebruikt, minder als bouwplaatsmortel. Werkmortel is een in de fabriek vervaardigde droogmortel, waarbij alleen nog water moet worden gemengd om deze onmiddellijk te kunnen verwerken. Bouwplaatsmortel daarentegen wordt op de bouwplaats afgemeten en gemengd.
Waaruit bestaat mortel?
Het grootste bestanddeel zijn steenkorrels zoals kalksteen, natuurzand, marmer of kwartszand. Een bindmiddel omhult als lijm de afzonderlijke zandkorrels. Bij werkdroogmortel wordt bijvoorbeeld kalk, cement, anhydriet en gips als bindmiddel gebruikt. Toevoegingen en toevoegstoffen worden toegevoegd om bepaalde eigenschappen te beheersen. Hiertoe behoren bijvoorbeeld afdichtingsmiddelen, zodat de mortel waterafstotend wordt, of vorstbeschermingsmiddelen. Het mengwater (mortelwater) moet vrij zijn van oliën, vetten, suiker en zouten. Over het algemeen zijn regenwater, leidingwater en zoetwater uit oppervlaktewateren (meren, rivieren, beken) geschikt.
Wat is het verschil tussen mortel en beton?
Mortel en beton verschillen niet in hun uitgangsstoffen – beide hebben dezelfde basis – maar in hun korrelgrootte. Mortel wordt gekenmerkt door een steenkorrelgrootte van maximaal 4 mm. Bij 8 mm grootste korrelgrootte en meer wordt het mengsel beton genoemd.
Deze onderscheiding is echter niet algemeen geldig. Zo is er bijvoorbeeld sprake van estrichmortel, hoewel de korrelgrootte 8 mm, soms zelfs 16 mm, bedraagt. Verder spreekt men van gasbeton of van (ultra-)hoogsterk beton, hoewel de grootste korrelgrootte kleiner is dan 4 mm.
Fundamenteel gezien is het verschil tussen mortel en beton dat mortel over het algemeen veel fijner is dan beton en meestal in dunne lagen in kleine deelgebieden wordt gebruikt, zoals bouwmortel, pleistermortel, estrichmortel of restauratiemortel.
Welke leveringsvormen zijn er voor werkmortel?
- Werk-Droogmortel wordt als afgewerkt (droog) mengsel op de bouwplaats met water vermengd. De levering gebeurt in een silo of in zakken.
- Werk-Versmortel is een gebruiksklaar beton dat in beton mengvoertuigen wordt geleverd. Het kan tot 36 uur na levering worden verwerkt.
- Werk-Voormortel is een mengsel van zand en kalk, eventueel met toevoegingen. Op de bouwplaats moeten nog water en cement worden toegevoegd.
- Bij Meerkamer-Silomortel wordt een silo met morteluitgangsstoffen in gescheiden kamers gevuld. Deze worden onder waterleverantie in een silo volgens een bepaald programma gemengd.
Welke mortelsoorten en mortelgroepen zijn er?
Bouwmortel
Bouwmortel krijgt zijn toepassing bij de vervaardiging van metselwerk. Het zorgt voor gelijkmatige krachtoverbrenging van steen op steen. Bovendien compenseert de bouwmortel maattoleranties in de stenen en sluit de tussenruimten. Naast zijn effect op draagvermogen en duurzaamheid heeft het ook invloed op vele andere eigenschappen van het afgewerkte metselwerk, zoals geluidsisolatie, brandbeveiliging en warmtebescherming. Bij bouwmortel onderscheidt men de volgende mortelsoorten:
- Dunbedmortel (DM) wordt gebruikt voor vlaktegels of vlakke stenen. Dus bij bouwstenen die geringe maatafwijkingen in steenhoogte hebben.
- Lichtmortel (LM) verbetert de warmteisolatieeigenschappen van het metselwerk. Het wordt vooral gebruikt in combinatie met warmteisolatiesteinen. Lichtmetselmortel wordt volgens DIN 1053 ingedeeld naar thermische geleiding in de groepen LM21 en LM36. In groep LM21 staan die met lagere thermische geleiding, wat betekent dat ze betere isolatieprestaties leveren.
- Normaalmortel (NM) heeft een droge bulkdichtheid van minimaal 1.500 kg/m³. De normaalmortel wordt volgens DIN 1053 (Metselwerk-DIN) in oplopende volgorde naar druksterkte ingedeeld in de volgende mortelgroepen:
Mortelgroep Druksterkte Voorbeelden van mortelsoort MG I Laag Kalkmortel MG II en IIa Gemiddeld Mortel met pleister- en metselverbinder MG III en IIIa Hoog Cementmortel
- Voormuurmortel is bedoeld voor bijzonder weerbestendig voegwerk in verblendmetselwerk (= het naar buiten zichtbare metselwerk van een buitenmuur).
Pleistermortel
Onder pleisterwerk verstaat men een laag pleistermortel die op wanden of plafonds in één of meerdere lagen wordt aangebracht. Terwijl het binnenpleisterwerk in het interieur van het huis wordt aangebracht, brengt men het buitenpleisterwerk op de gevel aan. Het pleister dient enerzijds voor de esthetiek (oppervlakteafwerking), anderzijds vervult het bouwfysische taken, zoals vochtregeling, warmtebescherming en geluidsisolatie.
De eigenschappen van pleistermortel hangen vooral af van zijn samenstelling en het soort bindmiddel. Ambachtslieden en planners kunnen deze informatie verkrijgen met behulp van de pleistermortelgroep. Volgens de pleistermortelgroep volgens DIN V 18550 worden pleistermortels in de volgende groepen ingedeeld:
| Pleistermortelgroep | Mortelsoort |
|---|---|
| P I | Luchtkalkmörtel |
| P II | Kalkzementmortel |
| P III | Cementmortel met of zonder toevoeging van kalkhydraat |
| P IV | Gipsmortel |
Welke pleistermortelsorten zijn er?
- Wapeningspleister bestaat uit een wapeningsmortel en een daarin volledig ingebed wapeningsgaas zoals glasvezelweefsel. Het wordt als tussenlaag op de onderpleister aangebracht. De wapeningspleister draagt eraan bij om de bovenpleister van de ondergrond los te koppelen.
- Edele pleistermortel (CR = Coloured Rendering Mortar) zijn gekleurd. Ze worden gebruikt voor de vervaardiging van bovenpleisterwerk.
- Lichtpleistermortel (LW = Lightweight Rendering/Plastering Mortar) heeft een droge dichtheid tot 1.300 kg/m³. Lichtpleister is vooral geschikt voor het pleisteren van warmteisolatiewandbouwstoffen.
- Standaardpleister (GP = Generel Purpose Rendering/Plastering Mortar) heeft geen bijzondere eigenschappen. Het wordt vaak als kalkzementpleister (pleistermortelgroep P II) vervaardigd.
- Pleister in het sockelgebied (gedeelte van de gevel met spuitwaterbelasting) moet volgens DIN V 18550 niet alleen voldoende stevig en vorstbestendig zijn, maar ook waterafstotend.
- Restauratiepleister (R = Renovation Mortar) is geschikt voor het pleisteren van vochtig en/of zoutbelast metselwerk.
- Warmteisolatiepleister (T = Thermal Insulation Mortar) wordt herkend aan zijn specifieke warmteisolatiekenmerken.
Estrichmortel
Dekvloeren zijn dunne lagen estrichmortel die op een ondergrond worden gelegd. Dekvloeren vervullen meerdere taken: Ze helpen voorgeschreven hoogteliggingen op de vloer te bereiken, een vloerbedekking op te nemen of direct bruikbaar te maken.
Welke estrichmortelsorten zijn er?
- Gietvloermortel op calciumsulfaatbasis vindt alleen binnenshuis toepassing. In tegenstelling tot cementestriche moet de calciumsulfaatmortel ongehinderd kunnen uitdrogen. Zodra vochtigheid te verwachten is, is een dampremmende folie onontbeerlijk. Calciumsulfaatestriche mag het vroegst na 3 dagen betreden en na 5 dagen hoger belast worden.
- Cementestrichemortel (ZE) is een dekvloer op cementbasis die zich zowel voor buitenshuis als binnenshuis leent. Omdat het niet vochtgevoelig is, leent het zich ook voor permanent natte gebieden.
Redaktioneller Hinweis: Trotz größter Sorgfalt bei der Recherche und Erstellung unserer Inhalte bitten wir Sie, stets die Gegebenheiten vor Ort sowie die Hersteller-Hinweise am jeweiligen Produkt zu beachten. Wir bemühen uns, alle Informationen korrekt, vollständig und aktuell zu halten, können jedoch keine Garantie dafür übernehmen.